Door Joe Jay de Haas | Aansprakelijkheidsrecht | 21 december 2022 | 12 min. leestijd
Het komt voor dat bankrekeningen eenzijdig door banken worden opgezegd, bijvoorbeeld wanneer een bank van mening is dat bepaalde activiteiten van een klant de reputatie van de bank aantasten. Uit rechtspraak valt af te leiden dat het bij het opzeggen van bankrekeningen vaak gaat het om activiteiten zoals het exploiteren van coffeeshops en het aanbieden van erotische websites. Uit de praktijk blijkt echter dat ook exploitanten van crypto-ondernemingen te maken krijgen met het eenzijdig opzeggen van betaalrekeningen door banken. De vraag die in deze blog centraal staat is of een bank de bancaire relatie met een klant eenzijdig op mag zeggen op grond van het beleid en/of de algemene voorwaarden van diezelfde bank. Die vraag wordt beantwoord aan de hand van een fictieve casus.

Casus
Klant exploiteert een crypto-onderneming en heeft een betaalrekening lopen bij een bank. De klant is dus rekeninghouder en heeft een bancaire relatie met de bank. Op deze relatie rust een bancaire zorgplicht. De bank geeft aan dat het gedrag van de klant in zijn account niet in lijn is met het verwachte gebruikt van de bank haar diensten en de algemene voorwaarden. De bank geeft aan een specifieke lijst met activiteiten te hebben die zij kan accepteren voor accounts van klanten. De activiteiten van de klant – het aanbieden van cryptodiensten – staan als hoog risico op die lijst, waardoor de bank het account van de klant heeft beëindigd. De bank verwijst daarbij naar de algemene voorwaarden.
Algemene voorwaarden
De algemene voorwaarden van de bank schrijven voor dat een opzegtermijn van één maand van toepassing is, zonder nadere specificatie van de omstandigheden waarin zij een account kunnen sluiten. Volgens de algemene voorwaarden kan de bank in sommige situaties de overeenkomst direct beëindigen, bijvoorbeeld wanneer een zakelijke klant de reputatie van de bank in gevaar brengt en/of wanneer uit onderzoek van de bank blijkt dat het risicoprofiel is veranderd.
Rechtsverhouding tussen bank en klant
Op de rechtsverhouding tussen een bank en een klant zijn de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) van toepassing.
Een rekeninghouder kan activiteiten ontplooien die door sommigen beschouwd worden als moreel verwerpelijk. Voorbeelden hiervan zijn dienstverlening met betrekking tot pornografie, en het exploiteren van bordelen of coffeeshops. Relevant bij de beëindiging van de relatie tussen de bank en de klant is de mate waarin de activiteit een schending vormt van de maatschappelijke morele opvattingen. Dit is moeilijk meetbaar. Zo oordeelde de rechtbank Amsterdam dat het exploiteren van een coffeeshop een minder zware inbreuk op die opvattingen is dan het faciliteren van erotische websites [1]. Door de rechtbank Alkmaar werd het een bank toegestaan vanwege een “onacceptabel reputatierisico” de bancaire relatie op te zeggen met met personen die in Nederland vervolgd en in het buitenland veroordeeld zijn voor de handel in verboden beeldmateriaal [2].
Morele opvatting
Naast het oordeel van de bank zelf, wordt de bank ook geconfronteerd met het oordeel van andere klanten en hun bereidheid om zaken te (blijven) doen. Dit is met name voor internationaal opererende banken een probleem, omdat in het buitenland minder liberale opvattingen over de opvattingen van aanvaardbaarheid van bepaalde zaken gelden. Zo kan het voorkomen dat is een specifiek land bijvoorbeeld prostitutie en/of de verkoop van cannabis verboden zijn. Uiteenlopende morele opvattingen kunnen leiden tot een reputatierisico en daarmee tot financiële schade voor een bank [3].
Naast het morele oordeel van de bank zelf, ziet de bank zich ook geconfronteerd met het oordeel van andere cliënten en hun bereidheid zaken te (blijven) doen. In het bijzonder voor internationaal opererende banken is dit een probleem. In het buitenland bestaan minder liberale opvattingen over aanvaardbaarheid van prostitutie en de verkoop van cannabis of is dit daar expliciet verboden. Uiteenlopende morele opvattingen kunnen leiden tot reputatierisico’s en uiteindelijk financiële schade voor de bank.
Mogelijke argumenten tegen beëindiging bancaire relatie
Er zijn een aantal (niet-limitatieve) argumenten beschikbaar die mogelijk in de weg staan aan het beëindigen van een bancaire relatie: (i) de opzegging van de bancaire relatie door de bank is onzorgvuldig en onrechtmatig, (ii) de klant bankiert al jaren ongestoord bij de bank, (iii) zonder toegang tot het bancaire handelsverkeer is het voor klant onmogelijk de onderneming te exploiteren, en (iv) andere banken willen klant ook niet als klant accepteren, waardoor bij opzegging de klant buitengesloten wordt van het bancaire systeem.
Beëindiging bancaire relatie in het kader van de bancaire zorgplicht
Bij een beëindiging van een bankrelatie is het van belang onderscheid te maken tussen enerzijds het geval waarin de bank verplicht is de relatie te beëindigen, omdat zij onvoldoende inhoud kan geven aan haar Know Your Customer (KYC)-onderzoeksverplichtingen en daarmee het gebruik door de klant van de bankrekening(en) een onacceptabel risico vormt op witwassen of terrorismefinanciering [4], en anderzijds de gevallen waarin van zo’n risico niet is gebleken, maar de bank gebruik maakt van haar contractuele bevoegdheid om de relatie met een klant te beëindigen [5]. Zo oordeelde het Gerechtshof Amsterdam dat het aan de bank is om voldoende aannemelijk te maken dat zij verplicht was de relatie met cliënt te beëindigen. Gelet op bovengenoemd onderscheid bij de opzegging is het van belang dat de bank in de opzeggingsbrief stelt op welke grond (5 lid 3 Wwft of 35 ABV) zij de bankrelatie opzegt en stelt en onderbouwt welke concrete feiten aanleiding zijn voor de opzegging [6].
De maatschappelijke functie van een bank brengt een bijzondere bancaire zorgplicht mee, zowel richting haar klanten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding als ten opzichte van derden met wiens belangen de bank rekening behoort te houden [7]. Bij opzegging van een bankrelatie geldt als uitgangspunt dat een bank gebruik kan maken van een contractueel gegeven opzeggingsbevoegdheid, tenzij de bank daardoor in strijd handelt met de redelijkheid en billijkheid en, meer in het bijzonder, haar bancaire zorgplicht. Een bank moet bij een opzegging een zorgvuldige afweging te maken van de wederzijdse belangen en zij moet toetsen of de opzegging de toets van redelijkheid en billijkheid [8] kan doorstaan [9].
Een rechter kan bij de belangenafweging de ABV meenemen in die afweging. Zo schrijft de ABV voor dat een bank een bancaire zorgplicht heeft, waarbij zo goed mogelijk rekening moet worden gehouden met de belangen van klanten [10]. In dat kader oordeelde de Hoge Raad, de hoogste Nederlandse rechterlijke instantie, dat het terecht artikel 2 ABV mede van belang werd geacht, dat voorschrijft dat de bank naar beste vermogen met de belangen van de cliënt rekening zal houden [11].
Op grond van de ABV neemt de bank een bancaire zorgplicht aan richting klanten. Dat opent voor klanten de mogelijkheid om door een actie uit wanprestatie de schade vanwege de geschonden zorgplicht(en) te verhalen [12]. Ook kunnen open normen uit het Burgerlijk Wetboek (BW) als grondslag fungeren, zoals de redelijkheid en billijkheid en de zorg die een goed opdrachtnemer in acht moet nemen bij de uitvoering van zijn werkzaamheden [13]. Bij een geschonden bancaire zorgplicht ontstaat op grond van artikel 6:162 BW een recht op schadevergoeding [14].
Door de maatschappelijke functie die een bank vervult is een bank bevoegd een beleid te voeren dat gericht is op de instandhouding van haar integriteit. Een bank is gerechtigd op om basis van dat beleid, dat is ontwikkeld naar aanleiding van de Wet op het Financieel Toezicht (Wft) [15], bepaalde type ondernemingen uit haar klantenbestand te weren [16].
Beëindiging langlopende relatie
Het Gerechtshof Leeuwarden beantwoordde de vraag of een bank ook gerechtigd is om op grond van de bank haar beleid langlopende relaties te beëindigen. Het uitgangspunt is dat langlopende relaties – zoals een bancaire overeenkomst – in beginsel kunnen worden opgezegd. Het betreft een duurovereenkomst. De bevoegdheid daartoe kan in de gehanteerde voorwaarden worden bedongen. Deze bevoegdheid kan worden beperkt door de redelijkheid en billijkheid wanneer in de concrete omstandigheden van het geval voor opzegging geen voldoende (zwaarwegende) grond bestaat, en dat daarbij het bijzondere belang dat de klant heeft bij instandhouding van de overeenkomsten, de in beginsel tot opzegging bevoegde partij in de uitoefening van haar bevoegdheid geheel of gedeeltelijk kan beperken. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de redelijkheid en de billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval [17].
Toegang tot het bancaire systeem
Bij de beoordeling van de vraag of een bancaire relatie kan worden opgezegd moet rekening worden gehouden met het feit dat het voor rechts- en natuurlijke personen voor hun voortbestaan of functioneren van wezenlijk belang is dat zij toegang hebben tot het bancaire systeem. Aan de andere kant moet de maatschappelijke functie van banken in het oog worden gehouden. Deze functie verlangt van de bank integriteit, wat met zich mee kan brengen dat zij zich distantieert van (potentieel) illegale activiteiten. De maatschappelijke positie van de bank brengt ook mee dat zij belangen van de individuele klant in het oog houdt en een relatie met deze slechts op grond van goede redenen en met toepassing van de vereiste zorgvuldigheid opzegt, zo oordeelde het Gerechtshof Leeuwarden [18].
De voorzieningenrechter van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch besliste dat wanneer een klant van bancaire diensten verstoken raakt dit dan op grond van de voornoemde maatstaf aan beëindiging van de bancaire relatie in de weg staat. Dit betekent dat wanneer de klant niet elders (bij een andere bank) ook een bankrekening heeft lopen het de bank niet vrij staat de rekening te beëindigen, omdat bankdiensten noodzakelijk zijn voor deelname aan het maatschappelijk verkeer. Het belang van de klant om toegang te krijgen tot de primaire bankdiensten prevaleert. Het enkele feit dat een klant bijvoorbeeld een coffeeshop exploiteert, houdt geen integriteitsrisico’s in die uitsluiting van maatschappelijk onmisbare toegang tot bancaire betalingsverkeer rechtvaardigen [19].
De klant moet aannemelijk maken dat de opzegging van de overeenkomst door een bank ertoe zal leiden dat de klant zijn onderneming niet langer zal kunnen uitoefenen – en hij bij voortzetting van de bancaire relatie dus een zeer groot belang heeft – terwijl de klant op geen enkele wijze tekort geschoten is richting de bank, en ook geen concrete aanwijzingen bestaan dat de klant een integriteitsrisico vormt voor de bank. Dit brengt met zich mee dat het belang van de bank bij een beëindiging van de relatie met de klant beperkt is en een zwaarwegende grond voor opzegging van de relatie niet aan de orde is. Daar kwam bij dat de bank weloverwogen een relatie met de klant is aangegaan en (nog) geen sprake is van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan de voortzetting van de overeenkomst niet langer van de bank zou kunnen worden gevergd, zo oordeelde de rechtbank Amsterdam [20].
Niet-consumenten
Op banken kan op grond van hun maatschappelijke positie ook ten aanzien van niet-consumenten de verplichting rusten (opnieuw) een betaalrekening aan te bieden. Het Gerechtshof liet het zwaar wegen dat het zonder betaalrekening vrijwel onmogelijk is om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en een bedrijf te exploiteren. De bank moest opnieuw een contractuele relatie met de klant aangaan. De Hoge Raad erkende dat het niet kunnen beschikken over een betaalrekening het vrijwel onmogelijk maakt om deel te kunnen nemen aan het maatschappelijk verkeer en/of een bedrijf te exploiteren [21]. Ook erkende de Hoge Raad dat op banken een verplichting kan rusten om niet-consumenten een betaalrekening aan te bieden, ondanks dat dit niet als zodanig blijkt uit de Wft [22], [23].
Alternatieven
Hierbij kan ook een rol spelen dat aannemelijk is dat voor een klant weinig (of geen) alternatieven voor de huidige bancaire relatie beschikbaar zijn [24], en dat de door de bank aangegeven risico’s op witwassen en terrorismefinanciering onvoldoende reëel zijn om het belang van de klant om aan het betalingsverkeer te kunnen blijven deelnemen aan te tasten [25].
De beëindiging van de bancaire relatie kan voor een klant zeer bezwaarlijk zijn, omdat dit een groot risico op reputatieschade bij zijn leveranciers en afnemers oplevert. Ook is er kans op opzegging van de relatie door zijn andere banken, vooral als de bank de klant in het “Extern Verwijzingsregister” zou opnemen [26].
Conclusie
Op grond van de ABV hebben banken bij een bankrelatie met hun klanten een bancaire zorgplicht richting die klanten. Een bank mag een bancaire relatie, en daarmee bankrekeningen, dus niet zomaar eenzijdig opzeggen op grond van het beleid en/of de algemene voorwaarden van diezelfde bank. Ook niet wanneer u een crypto-onderneming exploiteert. Aan de hand van de omstandigheden van het geval zal steeds een afweging gemaakt moeten worden tussen enerzijds de belangen van de bank (bijvoorbeeld haar integriteit en reputatie) en anderzijds de belangen van de klant (deelname aan het bancaire handelsverkeer).
Heeft u een brief ontvangen van uw bank over het beëindigen van de bankrelatie, of heeft uw bank de bankrelatie inmiddels beëindigd? Onze professionals zijn u graag van dienst. Bel of mail vrijblijvend: 013-2077107 / info@lawfox.nl.
Voetnoten/bronnen
[1] Rb. Amsterdam (vzr.) 10 juli 2008, JOR 2008/240 (Virtual Access/ING; m.nt. F.M.A. ’t Hart).
[2] Rb. Alkmaar 23 juni 2005, LJN AT8139 (X/Rabobank).
[3] B. Bierens, Dilemma’s rond de betaalrekening: opzeggen of voortzetten? De belangen van de bank en de cliënt met een verhoogd integriteitsrisico gewogen, NTBR 2010, 2.
[4] Artikel 5 lid 3 Wwft.
[5] Artikel 35 ABV.
[6] Hof Amsterdam 29 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3898, RF 2022/19.
[7] HR 9 januari 1998, NJ 1999/285; JOR 1998/116, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (MeesPierson/Ten Bos); bevestigd in onder meer HR 23 december 2005, NJ 2006/289; JOR 2006/20 (Safe Haven) en HR 27 november 2009, JOR 2010/43, m.nt. Frielink (World Online).
[8] Art. 6:248 lid 2 BW.
[9] Rb. Amsterdam 16 november 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:8376, RF 2018/18.
[10] Art. 2 ABV.
[11] HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929, RCR 2015/1 (ING/De Keijzer Beheer).
[12] B. Bierens, het waarheen en waarvoor van de bancaire zorgplicht, NTBR 2013/3.
[13] Art. 7:401 BW.
[14] B. Bierens, het waarheen en waarvoor van de bancaire zorgplicht, NTBR 2013/3.
[15] Art. 3:10 Wft.
[16] Hof Leeuwarden 15 september 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ7971, rov. 7.
[17] Hof Leeuwarden 15 september 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ7971, rov. 9.
[18] Hof Leeuwarden 15 september 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ7971, rov. 10.
[19] Rb. ‘s-Hertogenbosch (vzr.) 23 juni 2008, ECLI:NL:RBSHE:2008:BD5292, NJF 2008, 364.
[20] Rb. Amsterdam (vzr.) 16 oktober 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:7065, RF 2014/16.
[21] F. Lambert, Zorgplicht bank. Kan een bank worden verplicht een (eerder opgezegde) betaalrekening (opnieuw) aan te bieden?, RCR 2022/4.
[22] Art. 4:71f Wft.
[23] F. Lambert, Zorgplicht bank. Kan een bank worden verplicht een (eerder opgezegde) betaalrekening (opnieuw) aan te bieden?, RCR 2022/4.
[24] Rb. Amsterdam (vzr.) 24 september 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4716, rov. 4.8.
[25] Rb. Amsterdam (vzr.) 20 december 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7465.
[26] Rb. Amsterdam 22 september 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4902, RF 2021/7.