De Hoge Raad heeft op 3 april 2020 verduidelijkt wat de vereisten zijn voor een verpanding van de auteursrechten op software. Met name is verduidelijkt wanneer is voldaan aan het bepaalbaarheidsvereiste.

De kern van het geschil is als volgt.

Een softwarebedrijf (CompLions) heeft in 2008 een kredietovereenkomst gesloten met ING. Onderdeel van die overeenkomst is dat alle bedrijfsactiva van het softwarebedrijf aan ING worden verpand. In 2016 sluit het softwarebedrijf een overeenkomst met BDO op grond waarvan BDO (ook) een pandrecht op de auteursrechten op de software vestigt.

Vervolgens gaat het softwarebedrijf in 2017 failliet, waarna de curator de auteursrechten op de software – met instemming van zowel ING als BDO – verkoopt. Omdat ING meent een geldig pandrecht te hebben op de auteursrechten op de software, eist ze bij de curator een bedrag van ruim € 140.000,- op uit de verkoopopbrengst. De curator stelt zich echter op het standpunt dat het pandrecht niet geldig is, en gaat over tot het dagvaarden van ING. Gevorderd wordt (onder meer) een verklaring voor recht dat ING geen geldig pandrecht heeft op de auteursrechten op de software.

Uiteindelijk komt de zaak bij de Hoge Raad die de vereisten voor de verpanding verduidelijkt. In deze blog bespreek ik wat een pandrecht is, wat de vereisten zijn aan een pandakte en hoe de rechtbank en de Hoge Raad tot hun oordeel zijn gekomen.

Pandrecht

Allereerst in het kort: wat is een pandrecht?

Een pandrecht is een zekerheidsrecht dat kan worden gevestigd op een overdraagbaar goed dat geen registergoed is. Het is het equivalent van het hypotheekrecht dat juist alleen op registergoederen kan worden gevestigd. Voor het vestigen van een pandrecht is een vestigingshandeling vereist. Zo’n handeling bestaan uit het brengen van de te verpanden zaak in de macht van de pandhouder (vuistpand) of het sluiten van een pandakte (bezitloos/stil pandrecht).

Een pandrecht geeft de schuldeiser een betere verhaalspositie. Als de schuldenaar in verzuim is, is de pandhouder bevoegd het verpande goed te verkopen en het aan hem verschuldigde bedrag te verhalen op de opbrengst. Er hoeft niet eerst beslag te worden gelegd en er is geen executoriale titel nodig. Dit wordt ook wel het recht van parate executie genoemd.

Ook heeft de pandhouder in een faillissement van de pandgever (zoals in het geval van de zaak die hieronder besproken wordt) het recht zich bij voorrang te verhalen op de (executie)opbrengst van de verpande goederen. De curator moet aangetoonde pandrechten respecteren.

Het is mogelijk om een goed meerdere keren te verpanden, zoals in deze zaak het geval lijkt te zijn. De auteursrechten op de software lijken namelijk verpand te zijn aan ING (in 2008) en vervolgens aan BDO (in 2016). In beginsel heeft een ouder pandrecht voorrang boven een jonger pandrecht. Het pandrecht van ING (indien geldig) zou dus voorgaan op het pandrecht van BDO. Dat zou tot gevolg hebben dat BDO in beginsel pas recht heeft op verhaal uit de opbrengst als de vordering van ING daaruit is voldaan.

Het is mogelijk om een pandrecht te vestigen op auteursrechten. Maar is er in deze zaak daadwerkelijk een (geldig) pandrecht op de auteursrechten van de software gevestigd door ING?

Pandrecht op auteursrechten op software

Vereisten aan de pandakte voor een geldig pandrecht

In deze zaak zou sprake zijn van een door ING gevestigd stil pandrecht op het auteursrecht op de software. Voor een stil pandrecht is, zoals gezegd, een pandakte vereist. Het softwarebedrijf en ING hebben zo’n pandakte gesloten. Daarin is het volgende artikel opgenomen:

“Verpanding bedrijfsactiva:

Tot zekerheid van al hetgeen de kredietnemer schuldig is of wordt aan de kredietgever, verpandt de kredietnemer hierbij, voor zover nodig bij voorbaat, aan de kredietgever, die deze verpanding aanvaardt, alle huidige en toekomstige Bedrijfsactiva zoals omschreven in de Algemene Bepalingen van Pandrecht, voor zover niet eerder aan de kredietgever verpand (…)”

De vraag die centraal staat in dit geschil is of het auteursrecht op de software valt onder de reikwijdte van de pandakte.

Om die vraag bevestigend te kunnen beantwoorden is eerst vereist dat 1) partijen hebben bedoeld een pandrecht te vestigen. Daarvoor moet de Haviltex-maatstaf worden toegepast. Dit betekent dat moet worden bepaald welke betekenis partijen aan de tekst van de akte gaven en wat partijen over en weer van elkaar mochten verwachten.

Ook is vereist dat 2) de pandakte ten tijde van de verpanding het te verpanden goed in voldoende mate bepaalt. Dit is vereist omdat duidelijk moet zijn welke goederen door de pandgever worden verpand. Aan dit zogenaamde bepaalbaarheidsvereiste is voldaan als de pandakte zodanige gegevens bevat dat – eventueel achteraf – aan de hand van de pandakte kan worden vastgesteld om welk goed het gaat.

Rechtbank: de akte voldoet niet aan het bepaalbaarheidsvereiste

In september 2018 wordt de zaak aan de rechtbank voorgelegd.

Aan de vraag of het softwarebedrijf en ING de bedoeling hebben gehad om de auteursrechten op de software te verpanden (vereiste 1), komt de rechtbank niet toe. De rechtbank oordeelt namelijk dat er (überhaupt) geen geldig pandrecht is overeengekomen, omdat niet voldoende bepaald of niet voldoende bepaalbaar is waar het pandrecht op gevestigd is. Volgens de rechtbank zou niet voldaan zijn aan het bepaalbaarheidsvereiste (vereiste 2).

De akte bepaalt namelijk dat op “alle huidige en toekomstige bedrijfsactiva” een pandrecht zal worden gevestigd. Volgens de rechtbank is dit problematisch, omdat dit zou inhouden dat op alle tot het bedrijf van de pandgever behorende goederen een pandrecht zou worden gevestigd. Maar dit is onmogelijk. Het is namelijk alleen mogelijk om een pandrecht te vestigen op roerende zaken en vermogensrechten die geen registergoederen zijn. De rechtbank oordeelt dat deze onmogelijkheid tot gevolg heeft dat de akte niet voldoet aan het bepaalbaarheidsvereiste.

Volgens de rechtbank is dit overigens niet anders als de pandakte zo zou worden uitgelegd dat deze alleen betrekking heeft op de goederen waarop een pandrecht mogelijk is. Het bestaan en de omvang van het auteursrecht op de software kan namelijk niet uit de administratie van de pandgever worden afgeleid, omdat dit niet op de balans is vermeld. Ook in dat geval zou niet zijn voldaan aan het bepaalbaarheidsvereiste, omdat op basis van de pandakte en de administratie niet – ook niet achteraf – kan worden vastgesteld welke goederen zouden zijn verpand.

Hoge Raad: uitleg van de rechtbank is te beperkt

Na het vonnis van de rechtbank komen partijen overeen om het hoger beroep over te slaan. De zaak komt daardoor direct bij de Hoge Raad. Dit wordt “sprongcassatie” genoemd.

De Hoge Raad oordeelt dat de:

“rechtbank heeft miskend dat de vraag of ten aanzien van het auteursrecht van CompLions op door haar ontwikkelde software is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste van art. 3:84 lid 2 BW in verbinding met art. 3:98 BW, moet worden beantwoord door te onderzoeken of de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld dat dit auteursrecht tot de verpande goederen behoort. Niet is vereist – anders dan de rechtbank heeft overwogen – dat bestaan en omvang van dit auteursrecht uit de administratie van CompLions kan worden afgeleid, of dat dit auteursrecht op de balans van CompLions is vermeld. Of het auteursrecht van CompLions op door haar ontwikkelde software behoort tot “alle huidige en toekomstige Bedrijfsactiva” van CompLions zoals vermeld in de pandakte (zie hiervoor in 2.1 onder (iii)), kan ook worden vastgesteld aan de hand van andere objectieve gegevens dan de administratie en de balans van CompLions.

Met andere woorden: de rechtbank legt het bepaalbaarheidsvereiste te beperkt uit door te vereisen dat het te verpanden goed uit de administratie en balans zou moeten blijken. De Hoge Raad oordeelt dat dit ook uit “andere objectieve gegevens” kan blijken. Het door de rechtbank gewezen vonnis wordt daarom vernietigd. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Tot slot

De rechtbank moet dus opnieuw beoordelen of de pandakte toch aan het bepaalbaarheidsvereiste voldoet. Zij zal daarbij in acht moeten nemen dat het volstaat als aan de hand van objectieve gegevens kan worden vastgesteld of het auteursrecht tot de verpande goederen behoort. Niet is vereist dat dit uit de administratie en balans moet blijken. Als vervolgens geoordeeld wordt dat het pandrecht toch geldig is, dan vangt BDO mogelijk bot. Zij heeft als tweede pandhouder namelijk een jonger pandrecht dan ING en zal haar vordering niet of slechts beperkt kunnen voldoen uit de opbrengst van de verkoop van de auteursrechten, omdat het pandrecht van ING dan voorgaat.

 

 

 

Naar blog overzicht

domeinnaam

Man in lichtblauw overhemd, oranje achtergrond. LAWFOX

Nick Vrugt / Over de auteur

Nick Vrugt is gespecialiseerd IT-advocaat (VIRA/Grotius) en partner in duurzame innovatie. Hij adviseert over softwarelicenties, AI en privacy, en zet zich als ware Green Sensei actief in voor een groenere tech-sector. Nick staat bekend om zijn nuchtere aanpak: geen paniek, maar oplossingen.