Vers van de pers: GroenLinks-PvdA wil haar naam wijzigen naar “Progressief Nederland” (kortweg: Pro). NOS bericht dat verschillende lokale partijen met ‘Pro’ in hun naam, zoals ProHengelo, ProVeenendaal en Pro Vlissingen, vrezen voor verwarring en ongewenste politieke associaties en overwegen daarom stappen te ondernemen tegen deze voorgenomen naamswijziging. Hoe sterk staan de verschillende partijen juridisch?

Het komt vaker voor dat er gedoe is over (de naam van) politieke partijen. LAWFOX-advocaat Sjors van der Hoeven is eerder onder meer betrokken geweest in discussies over de naam van de politieke partij “Artikel 1” van Sylvana Simons, en in gedoe omtrent een afsplitsing van Willem Engel in politieke partij “Vrij en Sociaal Nederland”.

 

Wettelijke mogelijkheden om bezwaar te maken tegen de naamswijziging door al bestaande politieke partijen?

Lokale partijen die de naamswijziging van GroenLinks-PvdA naar ‘Progressief Nederland’ (kortweg ‘Pro’) willen verhinderen, hebben juridisch gezien een aantal routes tot hun beschikking. Zij kunnen zich hierbij in de basis beroepen op het kiesrecht, het civiele recht en eventueel het merkenrecht.

1. Bezwaar bij de Kiesraad (De Kieswet) De eerste hindernis voor de nieuwe landelijke partijnaam bevindt zich in het bestuursrecht. De Kiesraad is de instantie die de nieuwe landelijke partijnaam moet beoordelen, wat pas kan gebeuren nadat de fusie en naamswijziging officieel op het partijcongres zijn aangenomen. Lokale partijen, zoals ProVeenendaal, geven aan bezwaar te willen aantekenen bij deze instantie.

Dit is een interessante juridische route, omdat de Kieswet (in artikel G 1) specifieke bepalingen bevat over de naamskeuze van politieke partijen waaraan een registratieverzoek wordt getoetst. De wet stelt expliciet dat een naam mag worden geweigerd indien deze misleidend is of verwarringwekkend overeenstemt met een al geregistreerde naam.

2. Gang naar de civiele rechter (Onrechtmatige daad) Als de Kiesraad de naam landelijk onverhoopt goedkeurt, of als lokale partijen direct actie willen ondernemen, ligt de gang naar de burgerlijke (civiele) rechter open.

Hoewel de Handelsnaamwet (Hnw) primair bedoeld is voor ondernemingen met een winstoogmerk en politieke partijen daar strikt genomen vaak buiten vallen, staan zij zeker niet met lege handen in de rechtszaal (en er is ook discussie over of de Handelsnaamwet niet ook namen van niet-commerciële organisaties zou moeten beschermen):

  • Artikel 6:162 BW (Onrechtmatige daad): Bestaande namen van (lokale) politieke partijen en verenigingen die niet als onderneming in de zin van de Handelsnaamwet kwalificeren, kunnen met succes bescherming zoeken via de algemene onrechtmatige daad van artikel 6:162 BW. In de rechtspraak is uitgemaakt dat bij een dergelijke vordering ter bescherming van een naam, de beoordelingsmaatstaven uit de Handelsnaamwet – zoals het verbod op verwarringsgevaar – analoog worden toegepast.
  • Het gevaar voor verwarring in de praktijk: Het centrale argument zal hier de te duchten verwarring bij het publiek (de kiezer) zijn. Fractievoorzitters wijzen op de uiterst onpraktische situatie waarin straks twee partijen fysiek in de raadszaal naast elkaar zitten die allebei de aanduiding ‘Pro’ voeren.
  • Ongewenste politieke associatie: De verwarring is extra schadelijk als een partij bewust een andere koers vaart. Zo heeft ProVeenendaal zich in het verleden juist afgesplitst van de PvdA om expliciet afstand te nemen van die linkse lijn; zij willen absoluut voorkomen dat de kiezer hen door de nieuwe GL-PvdA-naam weer met die linkse lijn associeert. Dit versterkt het argument van misleiding en verwarring aanzienlijk.

3. Bescherming via het Merkenrecht Tot slot kunnen lokale partijen zich mogelijk beroepen op merkenrechtelijke prioriteit. Robèrt Brunke van Pro Vlissingen stelt bijvoorbeeld dat hij juridisch sterk staat omdat hun naam “Pro Zeeland” al in 2019 is gedeponeerd en zij zich onder de vlag “Pro Vlissingen” hebben ingeschreven.

Hoewel een politieke partij geen traditioneel commercieel bedrijf is, is in recente rechtspraak (onder meer in een bekende rechtszaak rondom de partij ‘Artikel 1’) uitdrukkelijk bepaald dat het gebruik van een partijnaam wel degelijk kwalificeert als ‘gebruik in het economisch verkeer’ in de zin van het merkenrecht. Een politieke partij neemt immers deel aan het zakelijke verkeer: zij heeft inkomsten (contributie), uitgaven, houdt een partijbureau in stand en organiseert lezingen. Als een lokale partij haar afkorting of naam als merk heeft gedeponeerd, kan zij op basis van dit exclusieve merkrecht handhavend optreden tegen het gebruik van een jonger, verwarringwekkend overeenstemmend teken.

Conclusie Lokale ‘Pro’-partijen hebben via een bezwaar bij de Kiesraad, een civiele vordering uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW), en eventueel op basis van oudere merkrechten, diverse juridische instrumenten om de naamswijziging op lokaal of nationaal niveau aan te vechten, waarbij het aantonen van misleiding en verwarringsgevaar bij de kiezer de doorslag zal geven.

Dus, is de kans groot dat GL/PvdA deze naamswijziging niet overeind kan houden?

GroenLinks-PvdA zal in stelling brengen dat het woord ‘progressief’ zeer beschrijvend en veelvoorkomend is in politieke context. Dat ‘progressief’ een zeer beschrijvende en veelvoorkomende term is in de politiek, is een juridisch scharnierpunt. Het beschrijvende en algemeen gangbare karakter van dit woord heeft namelijk een enorme, veelal beperkende, invloed op de juridische kansen van de lokale partijen om de naamswijziging te verhinderen.

Zowel in het (analoge) handelsnaamrecht als in het merkenrecht geldt als fundamenteel uitgangspunt dat puur beschrijvende woorden of algemene soortaanduidingen in beginsel vrij moeten blijven voor eenieder om te gebruiken. Hieronder wordt uitgelegd hoe dit doorwerkt in de verschillende juridische routes.

1. Invloed op het handelsnaamrecht en de onrechtmatige daad

Wanneer lokale partijen zich beroepen op artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) ter bescherming van hun naam, kijkt de rechter analoog naar de regels van de Handelsnaamwet. In dat stelsel heeft het beschrijvende karakter van het woord ‘progressief’ de volgende grote gevolgen:

  • Een zeer beperkte beschermingsomvang: In tegenstelling tot het merkenrecht stelt de Handelsnaamwet weliswaar geen strenge eisen aan het ontstaan van een naamrecht; ook een puur beschrijvende naam kan bescherming genieten. Echter, de mate van onderscheidend vermogen weegt zeer zwaar mee bij de vraag óf er sprake is van verwarringsgevaar. Omdat termen als ‘progressief’ of ‘pro’ van zichzelf zwak en niet-onderscheidend zijn (het zijn afgesleten, veelgebruikte termen), krijgen zij een zeer beperkte beschermingsomvang.
  • Een geringe afwijking is al voldoende: Bij zwak onderscheidende, beschrijvende namen is een zeer grote mate van gelijkenis nodig om verwarringsgevaar aan te nemen. Een geringe afwijking of toevoeging (zoals ‘ProHengelo’ versus ‘Progressief Nederland’) volstaat in de regel al om het gevaar voor verwarring juridisch weg te nemen.
  • De ‘Vrijhoudingsbehoefte’: De Hoge Raad heeft in het standaardarrest Dairy Partners nadrukkelijk bepaald dat er een maatschappelijke behoefte bestaat om de monopolisering van gewoon taalgebruik te voorkomen. Beschrijvende aanduidingen moeten in beginsel door eenieder vrijelijk gebruikt kunnen worden. Het feit dat ‘progressief’ de politieke koers beschrijft, betekent dat het algemeen belang dicteert dat de lokale partij dit woord niet voor zichzelf mag monopoliseren. Deze vrijhoudingsbehoefte wordt door de rechter zwaar meegewogen in het nadeel van de eisende lokale partij.
  • Eis van ‘inburgering’ of ‘bijkomende omstandigheden’: Om als gebruiker van een louter beschrijvende naam toch succesvol op te treden tegen een ander, zal de lokale partij moeten bewijzen dat de naam door intensief en langdurig gebruik is ‘ingeburgerd’. Dat wil zeggen dat het publiek de term ‘Pro’ in die specifieke gemeente niet meer leest als de algemene term ‘progressief’, maar het direct herkent als uitsluitend dié specifieke lokale partij. Zelfs als er enige verwarring ontstaat, oordeelt de rechter bij beschrijvende namen vaak dat die verwarring voor lief moet worden genomen, tenzij er sprake is van ‘bijkomende omstandigheden’ die het gebruik door de landelijke partij onrechtmatig maken (bijvoorbeeld bewuste misleiding).

2. Invloed op het merkenrecht

Mochten de lokale partijen een beroep doen op een gedeponeerd merk, dan stuiten zij eveneens op grenzen vanwege het beschrijvende karakter:

  • Absolute weigerings- en nietigheidsgronden: Het merkenrecht stelt wél strenge eisen aan het ontstaan van een recht. Een teken dat uitsluitend bestaat uit benamingen die dienen om kenmerken van de diensten te beschrijven, of tekens die in de gangbare taal gebruikelijk zijn geworden (zogeheten ‘vrijmerken’), ontberen onderscheidend vermogen en zijn uitgesloten van merkbescherming. Een term als ‘progressief’ in de politiek zal zeer waarschijnlijk als een dergelijke beschrijvende, gangbare aanduiding worden gekwalificeerd.
  • Het ‘Freihaltebedürfnis’: Ook het Europese merkenrecht kent een zeer sterke vrijhoudingsbehoefte. Het Hof van Justitie van de EU heeft herhaaldelijk geoordeeld dat het een doel van algemeen belang is dat beschrijvende benamingen door alle ondernemingen (of in dit geval: partijen) ongestoord gebruikt moeten kunnen worden en niet aan één partij mogen worden voorbehouden.
  • Risico op nietigverklaring: Als de landelijke partij GroenLinks-PvdA wordt aangevallen op basis van een dergelijk lokaal merk, kunnen zij in een tegenvordering eenvoudig de nietigheid van dat lokale merk inroepen wegens het gebrek aan onderscheidend vermogen. Alleen als de lokale partij keihard kan bewijzen dat het beschrijvende woord door extreem intensief gebruik als merk is ingeburgerd bij een aanzienlijk deel van het publiek, blijft het merkrecht overeind.

Conclusie: Doordat ‘progressief’ (en de afkorting ‘pro’) een louter beschrijvende en volstrekt gangbare aanduiding is voor een bepaalde politieke stroming, staan de lokale partijen juridisch wankel. Zij kunnen het woord niet monopoliseren. De rechter zal veel belang hechten aan de mogelijkheid voor een landelijke partij om beginsel de vrijheid te hebben om haar eigen (progressieve) signatuur te beschrijven, tenzij de lokale partijen kunnen bewijzen dat er sprake is van extreme inburgering van hun eigen naam én dat er zodanige verwarring of misleiding ontstaat dat dit maatschappelijk onaanvaardbaar is. Een kleine toevoeging, zoals ‘Progressief Nederland’ ten opzichte van ‘ProHengelo’, is juridisch gezien dan ook al snel voldoende om het verwarringsgevaar af te wenden.

Kiesraad

Bij de Kiesraad werkt het anders: daar gaat het niet om exclusief economisch gebruik van een naam, maar om de vraag of een partijnaam voldoende onderscheidend en niet verwarrend voor kiezers is. De Kiesraad kan een partijnaam afwijzen als die geheel of hoofdzakelijk overeenstemt met een al geregistreerde aanduiding, of misleidend is; dus ook een beschrijvende naam kan problematisch zijn als die in de verkiezingscontext verwarring oproept.

Kernverschil

  • Merkenrecht: beschrijvend betekent vaak weinig of geen merkbescherming; exclusiviteit is dan moeilijker te krijgen.

  • Handelsnaamrecht: beschrijvende namen mogen meestal wel, maar bescherming en handhaving zijn beperkter als de naam weinig onderscheidend is.

  • Kiesraad: beschrijvendheid op zichzelf is niet het hoofdcriterium; doorslaggevend is vooral verwarringsgevaar voor kiezers en misleiding in het stelsel van partijregistratie.

Meer weten?

Vragen? Hulp nodig? De advocaten van Lawfox staan voor u klaar. info@lawfox.nl / 013-2077107

Naar blog overzicht

LAWFOX Advocaten

Mannelijke advocaat in donker pak en coltrui, oranje achtergrond. LAWFOX

Sjors van der Hoeven / Over de auteur

Sjors van der Hoeven is advocaat en partner IE-recht. Hij is gespecialiseerd in merken, modellen en auteursrecht. Sjors staat bekend als een ‘verbinder’ die juridische complexiteit vertaalt naar commerciële kansen. Hij is actief lid van de specialistenverenigingen BMM en VIEPA.