Door Sjors van der Hoeven | Algemeen | 12 juli 2020 | 6 min. leestijd
HvJ Constantin Film Verleih (C-264/19)
Wanneer een film onrechtmatig wordt geüpload naar een online platform, zoals YouTube, kan de rechthebbende (krachtens de Handhavingsrichtlijn) van het platform alleen verstrekking van het postadres van de uploader vorderen, maar niet zijn of haar e-mailadres, IP-adres of telefoonnummer, zo oordeelde het Hof van Justitie begin juli 2020.
Wat betekent deze uitspraak voor de praktijk?
De uitspraak is in de praktijk een tegenvaller voor de bestrijding van online piraterij via platformen. Immers, het komt regelmatig voor dat platforms waarop inbreukmakend materiaal beschikbaar is, alleen beschikken over een e-mailadres, IP-adres en/of telefoonnummer, maar niet over een postadres. Het is voor de rechthebbende met deze uitleg van de Handhavingsrichtlijn dus niet mogelijk om op basis van de Handhavingsrichtlijn, wanneer er geen postadres beschikbaar is bij het platform, andere identificerende gegevens van de inbreukmaker te verkrijgen van het platform waarop de inbreuk is begaan. Onder die omstandigheden is het voor de rechthebbende dus niet mogelijk om de inbreukmaker aan te spreken op de inbreuk.
Het Hof laat de deur wel op een kier open staan: het staat individuele EU-lidstaten vrij, mits (onder meer) het evenredigheidsbeginsel en andere EU-grondbeginselen in acht worden genomen, om in eigen wetgeving te voorzien in een mogelijkheid om deze gegevens wel op te vragen.
Overigens zou een ander oordeel van het Hof de strijd tegen online piraterij nog steeds geen eenvoudige kwestie maken. Immers, ook wanneer je wel beschikt over (bijvoorbeeld) een IP-adres, weet je nog niet welke gebruiker gebruik maakt van dat IP-adres. Om daar achter te komen moet je aankloppen bij een Internet Service Provider, die het IP-adres kan koppelen aan haar klant.
In Nederland probeert filmmaatschappij Dutch Filmworks (DFW) al geruime tijd -tevergeefs- om de (post)adresgegevens die horen bij bepaalde door haar verzamelde IP-adressen waarmee inbreuk werk gemaakt op DFW’s rechten op te vragen bij Internet Service Providers. Zowel de rechtbank en het gerechtshof hebben tot op heden geoordeeld dat -naar mijn oordeel onjuist- het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken gebruiker van het IP-adres zwaarder weegt dan het recht van DFW om haar IP te handhaven. De facto houdt dit in dat DFW vooralsnog machteloos staat tegen online inbreuken op haar rechten. Het laatste woord is hier nog niet over gezegd: die kwestie is momenteel in behandeling bij de Hoge Raad.
Bespreking van de uitspraak van het Hof van Justitie
Terug naar de uitspraak van het Europese Hof. In het arrest Constantin Film Verleih (C-264/19) van 9 juli 2020 oordeelde het Hof (in navolging van de Advocaat-Generaal) dat, waar een film wordt geüpload naar een online videoplatform zonder toestemming van de auteursrechthebbende, Richtlijn 2004/481 geen verplichting kent om de exploitant van de video te bevelen om het e-mailadres, IP-adres of telefoonnummer van de gebruiker die desbetreffende film heeft geüpload. De richtlijn, die voorziet in openbaarmaking van de ‘adressen’ van personen die inbreuk hebben gemaakt op een intellectueel eigendomsrecht, heeft alleen betrekking op het postadres.
In 2013 en 2014 zijn de films Parker en Scary Movie 5 geüpload naar het videoplatform YouTube zonder toestemming van Constantin Film Verleih, de houder van de exclusieve exploitatierechten met betrekking tot die werken in Duitsland. Die films zijn tienduizenden keer bekeken. Constantin Film Verleih eiste toen dat YouTube en Google (het moederbedrijf van Youtube), waarbij gebruikers zich eerst moeten registreren via een gebruikersaccount, informatie aanleverde met betrekking tot elk van de gebruikers die die films hadden geüpload.
De twee bedrijven weigerden Constantin Film Verleih informatie te verstrekken over die gebruikers, met name hun e-mailadressen en telefoonnummers, evenals de IP-adressen die door worden gebruikt, zowel op het moment dat de betrokken bestanden zijn geüpload als wanneer ze voor het laatst toegang hadden tot Google / YouTube-account.
Adressen?
In deze zaak moest beslist worden of dergelijke informatie onder de term ‘Adressen’ in de zin van richtlijn 2004/48 valt. Die richtlijn bepaalt dat de gerechtelijke autoriteiten de openbaarmaking van informatie over de oorsprong en de distributienetwerken van de goederen of diensten die inbreuk maken op een intellectueel eigendomsrecht kan gelasten . Die informatie omvat onder meer de ‘adressen’ van producenten, distributeurs en leveranciers van de inbreukmakende goederen of diensten.
Wat zegt de Richtlijn?
Het Hof constateerde in de eerste plaats dat, wat de gebruikelijke betekenis van de term ‘adres’ betreft, de Richtlijn alleen verwijst naar het postadres, dat wil zeggen de plaats van het vaste adres van een bepaalde persoon of gewone verblijfplaats. Hieruit volgt dat deze term, wanneer deze zonder verdere verduidelijking wordt gebruikt, in Richtlijn 2004/48 niet verwijst naar het e-mailadres, telefoonnummer of IP-adres.
Wat zegt de wetsgeschiedenis?
In de tweede bevatten de travaux préparatoires (de voorbereidende documenten uit de verschillende fasen van de EU-wetgevingsprocedure) die tot de aanneming van richtlijn 2004/48 leidden niets dat er op wijst dat de term ‘adres’ moet worden begrepen als niet alleen verwijzend naar de postadres maar ook naar het e-mailadres, telefoonnummer of IP-adres van de betrokken personen.
Zijn er andere aanknopingspunten?
Ook is er geen andere Europese wetgeving waarin de term ‘adres’ wordt gebruikt, zonder verdere details, om het telefoonnummer, IP-adres of e-mailadres aan te duiden.
Deze uitlegging strookt volgens het Hof met het doel van de bepaling van Richtlijn 2004/48 inzake het recht op informatie. Gezien het door de Richtlijn beoogde karakter van een minimum harmonisatieniveau met betrekking tot de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in het algemeen, is een dergelijke harmonisatie volgens die bepaling tot eng gedefinieerde informatie. Bovendien beoogt deze bepaling naleving van verschillende rechten, onder meer het recht van houders op informatie en het recht van gebruikers op bescherming van persoonsgegevens.
Oordeel
Dit alles in beschouwing nemende concludeerde het Hof dat de term ‘adressen’ in Richtlijn 2004/48 geen betrekking heeft het e-mailadres, telefoonnummer en IP-adres van een gebruiker die werden gebruikt om bestanden te uploaden, of het IP-adres dat werd gebruikt toen het account van de gebruiker voor het laatst werd geopend.
Deur op een kier
Het Hof heeft niettemin verklaard dat de lidstaten de mogelijkheid hebben om houders van intellectuele eigendomsrechten het recht om vollediger informatie te ontvangen, mits een er een eerlijk wordt evenwicht gevonden tussen de verschillende betrokken grondrechten en de algemene beginselen van het EU-recht, zoals het evenredigheidsbeginsel.
Kort en goed: de strijd tegen online auteursrechtinbreuk is nog lang niet gestreden.