Door Nick Vrugt | Algemeen | 2 april 2021 | 9 min. leestijd
Als er persoonsgegevens worden verwerkt, dan heeft de betrokkene – degene wiens persoonsgegevens worden verwerkt – het recht om informatie te krijgen over de verwerking van zijn persoonsgegevens. En om inzage te krijgen in de persoonsgegevens die worden verwerkt. Dit recht wordt wel het “inzagerecht” of “recht van inzage” genoemd.
Maar hoe ver strekt dit inzagerecht? Heeft de betrokkene (ook) recht op afschrift van de stukken waarin de persoonsgegevens zijn verwerkt? En welke gegevens worden verstaan onder “persoonsgegevens”? De rechtbank Rotterdam heeft de antwoorden op deze vragen verduidelijkt in een recente uitspraak.
Inzagerecht
Op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) heeft de betrokkene verschillende rechten met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens. Deze rechten (en de beperkingen daarop) zijn opgenomen in de artikelen 12 tot en met 23 van de AVG.
Het inzagerecht is geregeld in artikel 15 van de AVG:
Artikel 15
Recht van inzage van de betrokkene
1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:
a) de verwerkingsdoeleinden;
b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens;
c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
e) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;
f) dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
g) wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;
h) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.2. Wanneer persoonsgegevens worden doorgegeven aan een derde land of een internationale organisatie, heeft de betrokkene het recht in kennis te worden gesteld van de passende waarborgen overeenkomstig artikel 46 inzake de doorgifte.
3. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Indien de betrokkene om bijkomende kopieën verzoekt, kan de verwerkingsverantwoordelijke op basis van de administratieve kosten een redelijke vergoeding aanrekenen. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, en niet om een andere regeling verzoekt, wordt de informatie in een gangbare elektronische vorm verstrekt.
4. Het in lid 3 bedoelde recht om een kopie te verkrijgen, doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen.
Op grond van dit artikel heeft de betrokkene dus, kort gezegd, recht op uitleg over de verwerking van zijn persoonsgegevens door de verwerkingsverantwoordelijke. En het recht op inzage in de verwerkte persoonsgegevens. De eerste kopie van de persoonsgegevens dient door de verwerkingsverantwoordelijke kosteloos verstrekt te worden (lid 3).
De betrokkene en de verwerkingsverantwoordelijke
De feiten van de recente rechtszaak zijn als volgt.
Eiser (de betrokkene) heeft op 14 maart 2019 zijn inzagerecht uitgeoefend bij de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) (de verwerkingsverantwoordelijke). DT&V is een onderdeel van het Nederlandse Ministerie van Justitie en Veiligheid dat belast is met de uitvoering van het Nederlandse vreemdelingenbeleid. Eiser heeft onder meer aan DT&V verzocht om de informatie als bedoeld in artikel 15 van de AVG.
DT&V heeft daarop bij besluit een bestand toegezonden aan eiser (Bestand X). Bestand X bevat een overzicht van (de verwerking van) de persoonsgegevens van eiser binnen haar organisatie, waaronder bevindingen over eiser die voortkomen uit mondelinge communicatie tussen een onderzoeker in Azerbaijan en een medewerker van de Nederlandse ambassade in Azerbaijan. Over achterliggende stukken, zoals informatie hoe deze bevindingen tot stand zijn gekomen, zou DT&V niet beschikken. Eiser krijgt daar dus ook geen inzage in.
Eiser heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt omdat hij meent dat de ontvangen informatie onvolledig is. DT&V verklaart het bezwaar van eiser ongegrond. Zij meent dat eiser alle informatie, waarop hij op grond van de AVG recht heeft, al van DT&V heeft ontvangen. Eiser gaat in beroep tegen de beslissing van DT&V.
Eiser wenst inzage te krijgen in achterliggende informatie
Volgens eiser houdt DT&V bepaalde informatie achter. Het gaat onder meer om achterliggende informatie van Bestand X.
DT&V heeft in het besluit opgenomen dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken geen achterliggende informatie aan DT&V (heeft) verstrekt. DT&V beschikt daar daarom niet over, waardoor eiser ook geen recht van inzage in deze achterliggende informatie toekomt. Althans eiser kan dit recht niet uitoefenen bij DT&V.
Eiser meent echter dat uit een brief van de Minister van Buitenlandse Zaken blijkt dat DT&V de beschikking heeft over alle dossierstukken van de Minister van Buitenlandse Zaken. DT&V zou volgens die informatie dus (mogelijk) wel de beschikking hebben over achterliggende informatie. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken stelt dat er – in dit geval – alleen mondeling is gecommuniceerd met de onderzoeker in Azerbaijan en dat er geen schriftelijke informatie is ontvangen. Bestand X zou dus het enige document zijn dat er is.
Eiser meent dat DT&V in redelijkheid wel in het bezit moet zijn van achterliggende informatie, zoals gespreksverslagen, omdat Bestand X een “weerslag van die communicatie” zou moeten zijn. Bovendien zou de informatie in Bestand X de feiten uit zijn dossier niet weerspiegelen. Bestand X zou dus onjuiste of onvolledige informatie bevatten.
Persoonsgegevens van de ouders van eiser ontbreken
Naast het standpunt van eiser dat Bestand X niet “alle informatie” zou betreffen, meent eiser ook dat DT&V beschikt over gegevens met betrekking tot zijn ouders, waaronder gegevens uit het paspoort van zijn moeder. In Bestand X komen de namen van zijn ouders echter niet voor. Daarin wordt alleen gesproken over “de moeder van verzoeker”. Eiser meent dat Bestand X ook daarom onvolledig is: de naam van zijn moeder ontbreekt immers.

De rechtbank oordeelt: tot hoever strekt het inzagerecht?
Inzagerecht beperkt tot “eigen” persoonsgegevens
De rechtbank stelt voorop dat het inzagerecht op grond van artikel 15 van de AVG is beperkt tot de “eigen persoonsgegevens” van de betrokkene. Dit is niet voor het eerst dat dit wordt geoordeeld, zie bijvoorbeeld deze zaak.
De uitleg van het begrip “persoonsgegevens” is daarom bepalend voor de reikwijdte van het inzagerecht. Het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Hoge Raad hebben een ruime uitleg aan het begrip “persoonsgegeven” gegeven. Het begrip persoonsgegevens strekt zich potentieel uit tot elke soort informatie, zowel objectieve als subjectieve informatie die de betrokkene betreft. Van dat laatste is sprake als de informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een natuurlijk persoon.
Voor zover eiser stelt dat de persoonsgegevens van zijn ouders ook op hem betrekking hebben, volgt de rechtbank deze stelling niet. Dit zijn geen persoonsgegevens van eiser.
Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat er meer persoonsgegevens zouden zijn
De rechtbank oordeelt dat DT&V met Bestand X aan eiser de informatie heeft verstrekt waarop hij op grond van de AVG recht heeft. Eiser heeft daarmee de beschikking gekregen over een overzicht, in begrijpelijke vorm, van al zijn persoonsgegevens die zijn verwerkt.
Eiser meent evenwel dat er meer persoonsgegevens zouden moeten zijn. Volgende vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State “dient degene die stelt dat er méér persoonsgegevens moeten zijn, nadat het bestuursorgaan onderzoek naar die persoonsgegevens heeft gedaan en niet ongeloofwaardig heeft medegedeeld dat er niet meer persoonsgegevens zijn, aannemelijk te maken dat er wel meer persoonsgegevens dienen te zijn.”
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat DT&V ongeloofwaardig heeft medegedeeld dat er niet meer persoonsgegevens zijn. Daarbij is onder meer relevant dat de Minister van Buitenlandse Zaken moet worden aangemerkt als verwerkingsverantwoordelijke voor wat betreft de verwerking van de persoonsgegevens van eiser door de Nederlandse ambassade in Azerbaijan. Dit is dus niet DT&V. Voor zover eiser inzage wil in die verwerking van persoonsgegevens, dan dient eiser zijn inzagerecht bij de Minister van Buitenlandse Zaken uit te oefenen.
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het verstrekte overzicht onvolledig is. De stellingen van eiser dat DT&V over meer dossierstukken beschikt, dat de namen van zijn moeder niet voorkomen in het document en dat de informatie die door DT&V is verstrekt niet overeenkomt met de in het dossier bekende feiten, acht de rechtbank onvoldoende.
De rechtbank oordeelt daarbij nog dat artikel 15 van de AVG geen recht geeft op verstrekking van de daadwerkelijke stukken waarin de persoonsgegevens worden verwerkt. Met een verwijzing naar een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt de rechtbank dat de betrokkene aan de AVG niet het recht kan ontlenen om een afschrift te verkrijgen van het originele document of bestand waarin de gegevens staan. Althans als aan het inzageverzoek kan worden voldaan met een andere vorm van verstrekking.
Kortom, DT&V heeft in dit geval kunnen volstaan met het verstrekken van het verwerkingsoverzicht en is niet verplicht om eiser inzage te geven in de door hem genoemde stukken – als DT&V daar überhaupt al over zou beschikken.
Tot slot: inzagerecht geen vrijbrief om alle mogelijke informatie te verkrijgen
De AVG geeft de betrokkene verschillende rechten wanneer zijn persoonsgegevens worden verwerkt. Waaronder het inzagerecht. Het inzagerecht blijkt evenwel geen vrijbrief om alle mogelijke informatie en stukken op te vragen bij de verwerkingsverantwoordelijke.
Wil je meer informatie over jouw rechten onder de AVG, bel of e-mail ons gerust!